Het dilemma van de vriendschaps 
break-up



Schrijver
Tatjana Almuli
December 2019




Ik weet niet precies wanneer we op het punt kwamen dat een van ons de ruim tien-jarige vriendschap had moeten verbreken. Maar hoe beëindig je een vriendschap eigenlijk op een manier die de geschiedenis die er is eer aan doet? Er zijn talloze handleidingen geschreven over een plan van aanpak bij een liefdesrelatie break-up, bijvoorbeeld in boek-en filmvorm. Eet veel chocolade en ijs, wees even goed alleen, neem daarna een rebound - heb overvloedige seks, ga eropuit, jank de ogen uit je kop, spreek veel af met je vrienden, drink elke avond wijn, probeer een nieuwe sport of hobby uit, blijf jezelf ontwikkelen. Over het dode punt, het niemandsland tussen hartstikke blij zijn met elkaar en compleet klaar zijn met de ander in vriendschappen wordt eigenlijk nooit gesproken.  Alsof het alleen liefdesrelaties zijn die soms op een moeilijk punt komen waar je dan iets mee 'moet'. Misschien lijden vriendschapsrelaties meestal die onuitgesproken sluimerdood. Maar waarom eigenlijk? Is het omdat vriendschappen überhaupt nooit de status van liefdesrelatie bereiken? Misschien worden ze als vanzelfsprekender gezien, vrienden heeft iedereen, ze zijn er ‘gewoon’. En als de vriendschap ‘’op’’ is dan heb je altijd je andere vrienden nog. Terwijl het uitgaan van een vriendschap volgens mij net zo ongemakkelijk, pijnlijk en confronterend kan zijn als het uitmaken van een liefdesrelatie. Ik reconstrueerde onze vriendschap net als een verloren liefde, om te zien of ik de reden kon vinden waarom onze vriendschap het niet overleefde.



Pien en ik ontmoetten elkaar op een willekeurige dag in de eerste week van de brugklas zoals dat gaat: je wordt naast elkaar gezet door door je mentor en je hebt het maar met elkaar te doen. We hadden allebei een jong, spekkig gezicht, waren beiden giechelig en onzeker als de pest en hadden meteen een zwak voor elkaar. 

Ik denk dat ik de eerste jaren van onze vriendschap haar wilde zijn. Pien woonde met haar moeder in een oud schoolgebouw, een soort veredelde woongroep met een stel links-progressieve creatieven. Aan de weerszijden van het trapgat hingen VPRO-posters van Zaai en Theo en Thea, in de gezamenlijke kelder werd wiet gekweekt, ieder jaar stonden ze collectief te joelen op de gracht tijdens Gay Pride en Koninginnedag. Op de bovenste etage (vier trappen op, ik schaamde me altijd voor mijn gehijg) keek je zo uit over een van de mooiste grachten van Amsterdam. Piens moeder was een vrijgevochten vrouw met een fijne smaak. Het appartement voelde alsof je de Seventies binnen kwam lopen. Een oranje uitgeslagen Amélie poster in A1-formaat voor het raam, een kastdeur met aan de binnenkant foto’s van klassiek knappe mannen als Richard Gere in zijn jonge jaren, een oude platenspeler waar vooral Fleetwood Mac en Joan Baez op gedraaid werd. En Frank Boeijen, dan moest Piens moeder altijd een beetje huilen als De Verzoening speelde.  Met haar praatte ik over oude films, muziek en literatuur. Soms verzuchtte ze: ik wou dat Pien wat meer als jij was en dan voelde ik me warm worden van binnen.

Zo vaak als het kon vluchtte ik naar dat Amsterdamse huis, waar het tochtte in de gangen en waar ik nooit echt de slaap kon vatten naast Pien in haar twijfelaar. Toch waren het de fijnste dagen en nachten van mijn leven tot nog toe. Met Pien rookte ik mijn eerste sigaretjes, loog ik over mijn leeftijd in de Avondwinkel om Bacardi Breezers mee te krijgen. We gingen naar de cafés rondom Leidseplein die stuk voor stuk inwisselbaar waren; waar de rookmachines overuren draaiden en de laatste hit van Rihanna werd afgewisseld met een happy hardcore versie van Take Me Home, Country Roads. We raakten nooit uitgepraat. Eindeloze grappen en analyses over jongens, onze moeilijke moeders en vervelende meisjes op school die we sletten noemden (natuurlijk waren we gewoon stikjaloers op hun liefdes- en seksveroveringen en hoe zelfverzekerd ze leken). Op brakke middagen keken we Laguna Beach en The Hills en was ik verliefd op Justin Bobby en zij op - ik denk Brody, maar dat weet ik zeker. Samen haatten we Spencer.

Tijdens een vakantie op Vlieland - ik denk dat we vijftien waren - kregen we voor het eerst echt ruzie en spraken een halve dag niet tegen elkaar. De reden was waarschijnlijk net zo futiel als die op dat moment belangrijk leek. Ik was koppig, vond haar soms irritant kinderlijk en was vastberaden mijn mond te houden tot het einde der tijd. Dat moment was snel bereikt, want toen ik haar huilend met haar moeder hoorde bellen (''het is hier helemaal niet leuk, ik vind Tat echt gemeen'') had ik meteen spijt van mijn lelijke gedrag. En was ik bang om mijn enige echte vriendin te verliezen. Vanaf dat moment slikte ik mijn ergernissen altijd in.

Er gebeurden natuurlijk ook dingen die niet ingeslikt konden worden of weggelachen met zoete alcohol in ons bloed. Mijn moeder werd ziek - kanker en ze ging ook dood. Haar moeder schreef een kaart naar mijn moeder op haar sterfbed, met de tekst: ik zal een oogje in het zeil houden en ervoor zorgen dat Pien en Tatjana altijd vriendinnen blijven. Dat gebeurde niet, natuurlijk gebeurde dat niet. Alsof een moeder een vriendschap tussen twee jonge adolescenten levend kan houden.

Toch doorstond onze vriendschap ook de eerste jaren na de middelbare school, of misschien begon het al wat barsten te vertonen. Bijvoorbeeld toen zij in een vreemde stad ging studeren, terwijl ik eindelijk naar Amsterdam verhuisde. En me steeds meer begon te verdiepen in literatuur, muziek, zelf begon te schrijven, romances en andere avonturen beleefde met oudere mannen  - dingen waar zij niets van moest hebben, het interesseerde haar niet. Als we samen waren teerden we op de herinnering aan vroeger: weet je nog toen, weet je nog daar, weet je nog met die. Soms nog als toen, maar vaker een gevoel dat ik op den duur niet meer kon negeren: er was niets wezenlijks meer tussen ons.

Tijdens de laatste jaren van school en daarna had ik nieuwe vriendschappen gesloten met meisjes, vrouwen waar het gevoel wel laaide. Met wie ik eindeloze avonden in de Stadsschouwburg op de grond in de hal wachtte. Totdat er plekken vrij kwamen zodat we met onze Sprinterpas de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam konden zien. Waarmee ik iedere dag wilde discussiëren over de performancekunst van vrouwen als Marina Abramović (weet je nog dat filmpje van haar en haar ex-geliefde in het MoMA, in stilte met vochtige ogen? We keken het meer dan twintig keer en bleven analyseren, mee snikken, wensend dat wij ook ooit de moed zouden hebben zoiets te maken). De soms destructieve of juist gezonde keuzes die we maakten, confrontaties die we hadden met onze therapeuten, veroveringen of ouders. Kortom: alles wat het leven naar ons gooide en waar we met elkaar soms net iets meer uitkwamen. Ik miste Pien nooit als ik met mijn andere vriendinnen was en begon de momenten dat we elkaar zagen steeds meer uit te stellen; er waren altijd belangrijkere dingen, de tijd gebruikte ik als excuus.



We spreken al drie jaar niet meer na een ongemakkelijk chatgesprek. Hoe vind jij dat het gaat met onze vriendschap?, typte ze. De vraag deed me zo diep met mijn ogen rollen, dat ik pas drie dagen later antwoordde: ja, gewoon. Wel oké. Zo moedig om te zeggen wat ik eigenlijk dacht of voelde was ik niet. Er echt in willen duiken deed ik niet. Daarna kwam de radiostilte, soms een verdwaalde like op sociale media of het delen van een oude foto of herinnering.

Een tijdje geleden typte ik haar naam in op Facebook, omdat mijn nieuwsgierigheid het vaak wint van mijn kop-in-het-zand aanpak. Was ze afgestudeerd? Hoe ging het met haar moeder?  Leefde haar oudere surrogaatvader nog? Woonde ze nog steeds met haar kalverliefde in die kleine stad in het Noorden? Is ze gelukkig? Naast haar naam stond 'toevoegen als vriend'. Mijn buik maakt een kronkel - ik voelde me beledigd en verbaasd. Ze had me als vriend verwijderd en haar opnieuw een vriendschapsverzoek sturen voelde wel heel letterlijk aan. Alsof ik haar dan een sluitend signaal zou sturen, een vredesoffensief. Word weer vrienden met me. En dat dat eigenlijk te groot was, omdat het vooral de weemoedige herinnering aan onze jeugd samen me tot die daad zou drijven. Toch denk ik nog geregeld aan vroeger, aan het onbezonnen samen zijn. Soms mis ik het. Waarom kon ik niet gewoon eerlijk zijn over de afstand die ik voelde? Waarom zocht ik niet eerder naar een tussenoplossing? Elkaar tweemaandelijks zien ofzoiets. Je hoeft niet met al je vrienden wekelijks koffie te drinken om een goede vriendschap te hebben, zie ik nu. Waren er maar tv-series, films en boeken in onze jeugd die ons onderwezen in de verschillende vormen van vriendschap. Een realistische kijk, niet het loze, vanzelfsprekende karakter in teksten als ‘Kan niet zonder je, wil je nooit meer kwijt en niet te breken’ die we elkaar massaal stuurden op MSN en diezelfde vanzelfsprekendheid die we zagen in talloze romcoms. Een vriendschap onderhouden vergt tijd, aandacht, meebuigen met elkaar, soms een andere weg kiezen, maar altijd blijven communiceren. En soms je trots inslikken en wel gewoon opnieuw een Facebook vriendschapsverzoek sturen omdat je nooit weet wat tijd je brengt.