Tatjana’s jomo januari  


Van een shop stop, tot alcoholloze avonden en minder werken 
Tatjana Almuli 
januari 2020



Mijn decembermaand was overdadig, zoals dat gaat: veel diners, deadlines, borrels, feestjes tot het ochtendgloren. Elke dag naar buiten gericht, weinig slaap, meer verdovende middelen dan het hele jaar ervoor, drie nieuwe outfits, eindeloze cadeaus, zelfs een sappig stuk kalkoen had ik als overtuigd vegetariër niet kunnen weerstaan. I had a blast, dat moet gezegd, maar ergens ging die exorbitante hoeveelheid van eigenlijk alles me ook tegenstaan. Met mijn banksaldo nog net niet in het rood, diepe donkere kringen onder mijn ogen, een opgeblazen buik en chronisch slaaptekort begin ik het nieuwe jaar. 



Bekaf, ergens tussen de feestdagen in, hang ik boven een kop koffie en verzucht enigszins melodramatisch tegen een vriendin: ik wil dingen anders doen. Niet zoveel kopen en met geld bezig zijn, niet meer van deadline naar deadline buffelen, minder bezig zijn met de buitenwereld en afhankelijk zijn van externe feedback. Zij kan zich, vooral in het minder kopen van spullen goed vinden. Dus bedenken we een challenge (stom woord, maar goed). Gedurende de hele maand januari willen we geen kleding, schoenen en cosmetica kopen en geen alcohol of andere verdovende middelen tot ons nemen. Daarbij spreken we af dat we maximaal één boek mogen kopen. Ook schrappen we in onze casual koffies, lunches en diners buiten de deur: alleen the bare minimum mag deze maand. Voor mezelf bedenk ik nog een extra; minder werken en vaker yomo opzoeken in plaats van handelen vanuit fomo. We beginnen met een maand, maar in ons achterhoofd de gedachte: hoe langer hoe beter.



Gek genoeg gaan juist de eerste weken prima: nog vermoeid van de feestdagen ga ik goed op binnenshuis cocoonen en ik voel geenzins de behoefte nieuwe spullen of eindeloze consumpties aan te schaffen als ik buitenshuis ben. Favoriete online shoppingapps verwijder ik van m’n telefoon; opgeruimd staat netjes. Ik neem iedere dag standaard mijn herbruikbare koffiebeker mee van huis met daarin een zelfgemaakte haverlatte en ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik dit niet al veel langer doe. Kleine moeite voor de portemonnee en beter voor het milieu.

Maar gedurende de maand vordert, neemt de onrust toe. Op de 20e van de maand heb ik de bekende kledingapp’s weer terug op mijn telefoon geïnstalleerd. En probeer ik legitieme redenen te bedenken waarom ik écht iets nieuws nodig heb: ik ga begin februari naar de wereldpremière van een ballet in de Stopera. Ergens weet ik dat die vanzelfsprekende gedachte onzin is: mijn kledingkast puilt uit en er zijn nog talloze combinaties die ik nog nooit gedragen heb.
Ik denk nu al twee weken aan begin februari: dan ga ik naar een feestje waar ik lekker dronken kan worden. Even weg uit die somberheid in m’n hoofd en lijf. Een week later ga ik naar een boekpresentatie; dan móet ik dat nieuwe boek dus wel aanschaffen. Kortom: genoeg gedachten die me terugbrengen naar dat waar ik een maand geleden nog zo klaar mee was: consumeren. Ik vind het confronterend te merken hoe mijn brein alweer zo snel op junkiestand springt. Ik probeer te relativeren: de onrust is deze maand misschien heviger omdat januari van zichzelf al zo’n sobere laag over zich heen heeft: grijze luchten, gure lange dagen, nog lang geen lente. Dat unheimliche gevoel vraagt om (materiële) afleiding. Dat dat nu in mindere mate kan maakt me onrustig, maar creëert ook bewustwording: ik weet dat die afleiding me uiteindelijk niet verder gaat brengen. Het gaat me niet gelukkiger, leuker, mooier, tevredener maken. Waarschijnlijk zelfs het tegenovergestelde. Iets met rupsje nooitgenoeg. Dus probeer ik toe te geven aan de winterzwaarte en mezelf nog meer andere, niet-materiële gewoontes aan te leren.



Ik schreef een stuk voor Vogue dat in februari verschijnt over de optimalisatie- en prestatiemaatschappij waarin we onszelf standaard torenhoge eisen opleggen; we moeten een perfecte werknemer/geliefde/vriend(in) (et cetera) zijn. We moeten er goed uitzien, genoeg geld verdien, onszelf constant blijven ontwikkelen. Het altijd optimaliseren is de norm, zowel in ons materiële als niet-materiële leven. Daar heb ik geen zin meer in. Ik heb geen zin meer mee te doen in die ratrace omdat ik voel en merk dat mijn leven er niet beter van wordt. Ik vermoed dat het me zelfs minder gelukkig, relaxed en authentiek maakt. Maar dat het moeilijk is uit die kapitalistische standaard te stappen merk ik meteen deze maand al. Overal om me heen blijf ik verleidingen tegenkomen. Mijn geliefde en tevens huisgenoot koopt deze maand wél gewoon kleding online bij ASOS en geniet er twee dagen later van als zijn pakket bezorgd wordt. Vriendinnen hebben de beeldigste nieuwe (oké sommige tweedehands) kleding aan. Op Instagram zie ik iedereen om de haverklap vette werkdingen posten en de advertenties voor product x en dienst y vliegen me online en offline om de oren. Ook wil iedereen om me heen opeens koffiedrinken of een diner plannen terwijl ik na week twee van de challenge al door m’n dinercredits heen ben.



Eindstand: ik voel me nog steeds onrustig, maar ik ben tegelijkertijd blij dat ik me meer dan ooit bewust ben dat ik anders wil (gaan) leven en vooral: mijn eigen koers wil varen. Dat vind ik soms moeilijk te voelen en naleven in een samenleving (en stad als Amsterdam) waar altijd alles doorraast en iedereen zijn of haar best life lijkt te leven. Wel merk ik na deze maand dat oefening wel degelijk kunst baart: ik heb niets van de ‘verboden lijst’ aangeschaft en geen regels verbroken. Daarbij vind ik het leerzaam te zien hoe erg we geprogrammeerd zijn om altijd door te rennen, kopen, optimaliseren. Kijken of en hoe ik het anders kan doen. Misschien maak ik hier wel mijn ultieme 2020 project van.